Kreta in de mythologie

Op het eiland Kreta, zo verhaalt de Griekse mythologie, moet het fabelachtige rijk van koning Minos hebben gelegen. Deze Minos bezat een enorm labyrinth (doolhof) waarin een monster, de Minotaurus (een mens met een stierenkop) was opgesloten. Omdat Athene schatplichtig aan Kreta was, moest deze stad ieder jaar zeven meisjes en zeven jongemannen leveren die dan aan het monster werden geofferd! Op een dag ging de nationale held van Athene, Theseus, als een van de zeven jongemannen mee. De dochter van Minos, Ariadne, werd op hem verliefd en hielp hem de Minotaurus verslaan. Ze gaf hem een kluwen garen, zodat Theseus, na zijn overwinning, weer de weg terug uit het labyrinth kon vinden.

 

De waarheid over Minos

Eeuwenlang hield men dit verhaal over Minos, juist als de zangen van de legendarische Griekse dichter Homerus, voor overleveringen, waar, voor het ontstaan in het verre verleden mogelijk wel een aanleiding was geweest, doch waarover men in onze tijd niets naders meer zou kunnen vinden. Doch dan verschijnt Heinrich Schliemann ten tonele. Deze man, opgeleid in het zakelijke Amsterdam van omstreeks 1840, weet in Rusland en Amerika kapitalen te vergaren. Met dit geld gaat hij zijn jeugddroom verwezenlijken...bewijzen, dat Homerus de waarheid heeft gesproken. Bewijzen, dat Troje eens heeft bestaan; dat het Mycene werkelijkheid is geweest; dat de zeekoningen van Kreta wel hebben geleefd. Men lacht hem uit... totdat zijn opgravingen van Troje en Mycene bewijzen, dat hij gelijk heeft gehad. In Engeland wordt zijn werk al spoedig volledig erkend. Hij laat in Athene een paleisachtige woning voor zijn gezin bouwen en begint dan te denken aan opgravingen op Kreta. Maar tegen het einde van het jaar 1890 moet hij in Duitsland een ooroperatie ondergaan. Hoewel de doktoren het hem afraden, gaat hij op te spoedig op reis...hij wil Kerstmis te midden van de zijnen in Athene vieren. Maar het wordt koud... de oorpijn komt weer opzetten en is tenslotte onverdragelijk. In Napelsvalt hij bewusteloos op straat neer, zonder dat men de eerste uren weet wie de man is, die in een ziekenhuis wordt opgenomen. Met weigert in te grijpen...totdat blijkt, dat Schliemann de patiënt is. Menselijke hulp mag evenwel niet meer baten en op Tweede Kerstdag overlijdt hij, zonder het raadsel Kreta te hebben opgelost.

Sir Arthur Evans

Schlieman had echter voor Kreta's vroegste geschiedenis niet tevergeefs geleefd. Want niet alleen, dat had hij bewezen, dat er een kern van waarheid school-soms zelfs wel meer dan alleen een kern-in die oude legenden, er was nog iets anders. Dit was een tentoonstelling in Londen, waar een jonge journalist, die zich voor opgravingen interesseerde, op zijn verlovingsdag met zijn aanstaande heenging. Dat was in februari 1878. Het was de eerste grote tentoonstelling van alles wat Schliemann had opgegraven en de jonge journalist heette....Arthur Evans. De sluimerende belangstelling voor de Griekse oudheid werd door deze tentoonstelling bij Evans gewekt. Hij gaat zich verdiepen in de vroege historie.

 

De beschaving van Mycene

De oudste Griekse geschiedenisbron die we kennen, de gedichten die op naam staan van Homerus, spreken vaag over de macht en heerlijkheid van Kreta met zijn hoofdstad Knossos. Maar deze heldendichten werden pas in de achtste eeuw te boek gesteld. Eeuwen later dus dan de gebeurtenissen die ze heetten te beschrijven, plaats vonden. Schliemann had echter bewezen dat Troje en Mycene, de andere steden uit die vroege beschavingsperiode, niet op louter fantasie van de dichter hadden berust en dit was een aanwijzing voor Evans. De kunstvoorwerpen die-vooral te Mycene-waren opgegraven, gaven blijk van een zeer hoge beschaving. De kunstvoorwerpen waren prachtig afgewerkt en in ieder opzicht verantwoord. Evans had, toen hij pas kennis kreeg van de resultaten van Schliemanns opgravingen, er zich reeds over verbaasd dat de Myceense beschaving, die toch zo hoog stond, geen enkel schriftstuk had opgeleverd. Op het vasteland in het Oosten schreef men tijdens de Myceense beschaving reeds lang al in klei of op steen, en daarvan moest de kennis toch tot in Griekenland zijn doorgedrongen. De Engelsman kon niet berusten in het vooronderstelde analfabetisme van de Myceners. Toevallig kreeg hij op een dag een zegelsteen in handen, waarop afbeeldingen stonden die hij meende als schrifttekens te kunnen beschouwen, omdat ze hem aan de (toen nog onleesbare) hiëroglyphen van de Hittiten deden denken. In 1893 leverde een reis door Griekenland hem een groot aantal van dergelijke doorboorde zegels op. Daar sommige voorstellingen telkens weer daarop terugkwamen-de illustratie toont op drie verschillende zegels zowel een mensenbeen als een soort klaphek-was hij zeker, niet met siermotieven maar met een soort schrift te doen te hebben.

 

Verschillende "zegelstenen" die een opmerkelijke overeenkomst vertonen. Telkens weer dat been en dat "klaphek".

 

Dat schrift was pictografisch (d.w.z.de tekens gaven iets weer:een lichaamsdeel van een mens of dier of een voorwerp).De oorsprong van al die zegels bleek Kreta te zijn. En dit was mede een voorname reden, dat Evans in Kreta opgravingen wilde verrichten. Bovendien overleed in dit jaar zijn vrouw, die hem bij zoveel werk inspireerde."Alles schijnt donker en zonder troost..." schrijft hij naar huis. Hij zoekt vergetelheid in zijn werk; gaat er geheel in op om het verdriet te vergeten. In de lente van het jaar 1894 zet hij voor het eerst voet aan wal op het eiland Kreta. Er waren reeds voor hem-provisorisch door amateurs-opgravingen verricht. Er waren toen metersdikke muren blootgelegd. Evans voelt dat hij op Kreta zijn levensdoel heeft gevonden. Het graafwerk begint eerst onder moeilijke omstandigheden; want de Turkse autoriteiten belemmeren de werkzaamheden. Maar wanneer het eiland enkele jaren later onder Grieks bestuur komt beginnen de opgravingen pas goed. Op 27 maart 1899 kon Evans in zijn dagboek schrijven:"Wij hebben de oude paleizen van Knossos gevonden...met een beschaving die groter en rijker is, dan die van Troje of Mycene!"

 

Knossos

De lage heuvel op Kreta, waaraan de naam Knossos nog altijd verbonden was, bleek sinds onheuglijke tijden te zijn bewoond geweest, en in het tweede millenium v.Chr. hadden er paleizen gestaan van een rijkdom en een raffinement waar ieder versteld van stond. Evans noemde de beschaving die hij weer aan het licht bracht de Minoïsche, naar koning Minos, die volgens Homerus eenmaal in Knossos woonde. Misschien is het woord Knossos geen eigennaam, maar, evenals Pharao, een titel waarmee men de vorst aanduidde. De term Minoïsch heeft algemeen ingang gevonden en, zoals men op het vasteland van de Myceense beschaving spreekt, duidt men de Kretenzische met Minoïsch aan. Ze had haar bloeitijd omstreeks het midden van het tweede millenium, maar tegen 1400 v.Chr. maakte de een of andere katastrofe daar een einde aan. Ook vóór die tijd waren er wel eens paleizen door aardbeving of brand verwoest, maar dan waren ze altijd weer herbouwd; wat toen echter niet geschiedde! Men moet niet denken dat Knossos de enige plaats was waar Minoïsche oudheden gevonden zijn:er zijn honderden zulke plaatsen, want geen enkele beschaving heeft op Kreta zoveel sporen in de grond achtergelaten als juist die uit het bronzen tijdperk. Maar Knossos is wel het belangrijkste centrum geweest, waar waarschijnlijk een centraal gezag gevestigd was en waar veel administratie werd gevoerd. Evans vond ten minste op allerlei plaatsen in het grote complex van gebouwen beschreven documenten. De meeste hebben de vorm van onze bruinkoolbriketten, maar ze waren van in de zon gedroogde klei. Slechts zelden bakte men ze, om ze beter houdbaar te maken. Om deze en andere redenen neemt men aan, dat de administratie zich niet bezwaarde met oude archiefstukken, en dat de gevonden tabletten meest betrekking hebben op de allerlaatste periode van het gebouw waarin ze zijn aangetroffen.

"Geschriften"

De meeste stukken zijn inventarislijsten of rekeningen. Daardoor zijn ze maar kort; slechts enkele bevatten wat meer regels. De tekens zijn blijkbaar met de punt van een naald in de weke klei gekrast. Intussen waren op de kleitabletten niet de duidelijke pictografische voorstellingen aangebracht die de zegelstenen vertoonden. Bij sommige was nog wel te zien, dat ze dezelfde tekens gebruikten, maar dan weergegeven in een vluchtige schets. De illustratie geeft dit duidelijk aan: links combinaties die op gesneden stenen voorkomen, en rechts dezelfde combinaties ontleend aan tabletten, waarop deze vluchtig zijn neergekrabbeld.

 

 

Slechts een klein deel van de documenten zijn evenwel in dit pictografische schrift geschreven: verreweg de meeste vertonen een veel vlottere en jonger aandoende schrijfwijze, die Evans, omdat ze uit "regels" bestaat, lineair noemt. Onder de lineaire "geschriften" onderscheidde Evans nog weer twee groepen. Van de groep (ook wel "B" genoemd) die in tijdvolgorde de laatste was, bestaan verreweg de meeste voorbeelden, misschien doordat men geen boekhouding van jaren her placht te bewaren. Naast tabletten kwamen in de archieven ook tal van kleine platte stukjes klei voor, die evenals onze loodjes moeten hebben gediend om de inhoud van pakken of kisten te verzegelen. Door de gaatjes liep eens het touw, waarmee het pak was dichtgebonden. De tekens geven waarschijnlijk naam en rang van de controlerende ambtenaar weer. Een eigenaardigheid van de Minoïsche boekhouding was, dat ze de gewoonte had om door een schetsje weer te geven van welk onderwerp sprake was: mannen of vee, wapens of drinkbekers. Op deze wijze zag de administratie in één oogopslag waar het stuk thuishoorde en bracht het onder in de betreffende afdeling. Zo vond men op één plaats een aantal tabletten bijeen die allen gingen over tweewielige wagens. Toen eenmaal één van Evans' werklui in Athene kleitabletten trachtte te verkopen, en Evans aan kon tonen dat de man vóór hij wegliep, gewerkt had op een plaats waar tabletten met dezelfde aanhef werden opgegraven, werd de man veroordeeld... op grond van de methodische boekhouding der Kretenzers uit het bronzen tijdperk. Maar al kon men dan ook dikwijls zien, waarover het op de tabletten ging, dat wilde echter nog niet zeggen dat men de inhoud van het geschrevene kon vertalen. Toch publiceerde Evans in 1909 zijn "Scripta Minoa" (Minoïsche geschriften), opdat de geleerden van het geschrevene kennis konden nemen  en trachten ze te ontcijferen.

 

De "loodjes" waarmee de plakken werden verzegeld

 

Enkele bijzonderheden hadden Evans en anderen wel al opgemerkt; er kwamen bijv. getallen in de teksten voor, en die waren te begrijpen. Maar overigens bewaarden de documenten hun geheimen.

 

Welke taal schuilt er achter het Kretenzische schrift?

Voor de ontcijfering is de eerste vraag die men moet trachten te beantwoorden: "In welke taal zijn de documenten geschreven?" De Grieken, die in de klassieke tijd het land bewoonden, spraken een Indo-europese taal. Een taal die verwant is aan bijna alle talen die in Europa worden gesproken. Maar deze Grieken wisten zelf heel goed, dat zij niet de oudste bewoners van hun land waren. Hun voorgangers noemden ze meestal de Pelasgen. De huidige taalgeleerden weten dit ook: de eerste bewoners waren de oude Grieken stellig niet. Er zijn namelijk in Griekenland overal plaatsen, bergen en rivieren, die on-Griekse namen dragen, en dat is alleen te verklaren als men aanneemt dat het landschap al namen droeg vóór de Grieken binnenvielen. Ofschoon de inheemse bevolking de taal der indringers overnam, bleven bergen en burchten hun naam houden, en zo kennen we nog steeds Korinthe, Knossos en vele andere plaatsen bij dezelfde naam, die ze voor meer dan 4000 jaar al droegen. Men weet zelfs, waar die vroegste bevolking vandaan moet zijn gekomen: het was uit Klein Azië, waar sommige geografische namen precies gelijk zijn aan on-Griekse plaatsnamen in Griekenland. Zoals dit altijd gebeurt trachtten de toenmalige landverhuizers de band met het verleden nog levendig te houden door aan hun nieuwe omgeving bekende namen te geven. In de klassieke tijd leefden ook op Kreta Grieken, maar ook daar duidden vele on-Griekse namen op een oudere bevolking van vreemde afkomst. Ook Homerus weet dat die er is geweest. In de Odyssee wordt gesproken van de verschillende talen die men op Kreta kon horen: er woonden Achaeërs en Doriërs, twee bekende Griekse stammen, maar er woonden ook Pelasgen en "Eteokretes" "echte Kretenzers", een volk dat er sinds mensenheugenis heeft gewoond.

De getuigenis zowel van de plaatsnamen als van Homerus maakt het begrijpelijk dat men achter het Minoïsche schrift een onbekende, niet-Indo-europese taal zocht. Maar een onbekende taal te doen herleven die geschreven is in een onbelend schrift, dat is wel een heel moeilijke opgave. Toch had men in de vorige eeuw op dit gebied reeds wonderbaarlijke resultaten behaald. De Egyptische hiëroglyfen waren ontcijferd. Verschillende vormen van spijkerschrift had men leren begrijpen. Phoenicisch en Aramees kon men lezen. Men was dus met goede verwachtingen begonnen aan de ontcijfering van het Minoïsche schrift. Maar het viel niet mee: de documenten bewaarden hun geheimen.

Bijzonderheden

Al bleek vertaling voorlopig onmogelijk, dit nam niet weg dat men toch wel enige bijzonderheden opmerkte van het lineaire schrift. Zo concludeerde men, dat het een schrift moest zijn waarvan elk teken de waarde had van een lettergreep. Was het een echt alfabet geweest, dan zou het aantal tekens misschien geen 26 zijn geweest, zoals bij ons, maar toch een getal dat hier dicht bij kwam, want het aantal klanken dat we kunnen voortbrengen is maar beperkt. In werkelijkheid telde het vreemde schrift er bijna 90. Dit was weer te weinig voor een schriftsysteem, waarbij elk woord zijn eigen teken heeft. De enige mogelijkheid was dus, dat het een syllabeschrift was. Nu kende men in de klassieke Griekse wereld nóg een streek waar een dergelijk schrift in gebruik was en dat was... het eiland Cyprus. Enkele van de daar gebruikte tekens waren ook gelijk aan de Minoïsche. Hoewel dit wees op een zekere verwantschap, hielp het Cypriotische schrift toch niet om het Kretenzische te vertalen. Bovendien wist men zeker, dat de archieven van Knossos geschreven waren in een taal, wier verwanten men eerder in Klein Azië moest zoeken dan in Griekenland. Want hoe stelde men zich het verloop van de geschiedenis voor? Laten we eerst eens naar het Griekse vasteland kijken. Daar woonde dus eerst een bevolking die uit Klein Azië afkomstig was en die vele bergen en steden voorgoed hun naam gaf. Maar hoe kwam het land later aan een Grieks sprekende bevolking? Wanneer zijn deze de plaats komen innemen van de Pelasgen, of hoe men de oudere bevolking ook noemen wil? Archeologische waarnemingen toonden dat de oudste vestigingen in de Peloponessus omstreeks 2000 of 1900 v.Chr. verwoest zijn; daarna komt er een heel ander soort aardewerk, wat schijnt te wijzen op een nieuwe bevolking, (Achaeërs) die natuurlijk de oude niet overal uitroeide, maar die toch de toon ging aangeven. Aangezien er na die tijd tot aan de volgende (z.g. Dorische) invasie geen dergelijke verwoesting en verandering meer schijnt te hebben plaats gehad, ligt het voor de hand, aan te nemen dat de Achaeërs in het begin van het tweede mill.v.Chr. binnenvielen, en dat zij de dragers waren van de Myceense beschaving, die op het gebied der kunst sterk onder de invloed stond van het machtige Kreta. Maar nu dat Kreta. Zoals we reeds zeiden werden de paleizen van Knossos grondig verwoest omstreeks 1400, en ofschoon daarmee het leven op het eiland niet ophield, was het met de grote bloei en de beschaving voorgoed gedaan, terwijl die bloei op het vasteland doorging tot ong.1200 v.Chr. Aangezien na 1400 het aardewerk van het vasteland, de laat-Myceense vazen dus, ook op de eilanden werden ingevoerd en gebruikt, nam men aan dat het de Achaeërs waren die in 1400 een eind maakten aan Kreta's bloei, nadat ze waarschijnlijk eerst zelf door de Kretenzers waren bedwongen en overheerst. Dit klonk allemaal zeer aannemelijk en scheen overeen te stemmen met de gegevens van de opgravingen.

Opgravingen

Door de opgravingen vermeerderden intussen de vondsten. En ze brachten toevallig datgene aan het licht, wat aan de eerste opgravers altijd was ontgaan: "Minoïsche" kleitabletten. De voornaamste vondsten deed men in Mycene en in Pylos. Daar had in Myceense tijd een paleis gestaan, en daarin vond een Amerikaans geleerde 600 tabletten die in het lineaire schrift "B" waren geschreven. Dat was een verrassing, want het archief moest afkomstig zijn uit de laatste dagen van het paleis, dat waarschijnlijk omstreeks 1200 werd verwoest. Het schrift werd daar dus nog gebruikt toen de macht van Knossos al tot het verleden behoorde. Ja, toen het schrift, voor zover we weten, op Kreta nauwelijks meer werd gebruikt ! En dat niet alleen, het archief kwam hier, evengoed als trouwens in Mycene, voor in een woning, die stellig aan een  Griekse familie had behoord. De Myceense Grieken waren dus niet onbekend met het schrift!

 

Een afbeelding bij een tekst geeft aan, waarover deze gaat. Hier gaat het dus om een tweewielige wagen, die door één paard wordt getrokken. Op deze manier kon men snel iets in het archief opzoeken en ... ook zij die niet konden lezen, wisten met de teksten op deze wijze raad

 

De ontcijfering gelukt

Daar stond men dus. Men had de "sleutels" tot een oude beschaving in de hand...en wist ze niet te gebruiken. Het was immers wel duidelijk, dat als men eenmaal dit schrift zou kunnen lezen, die oude beschaving ons mogelijk zeer veel zou hebben te "vertellen". Op dit tijdstip loopt dan de lijn, die bij Schlieman aanving en over Sir Arthur Evans-hij was inmiddels in de adelstand verheven-doorging naar...een vijftienjarige schooljongen! Het is in het jaar 1935, wanneer Sir Evans op een goede dag in Londen een lezing houdt over zijn opgravingen en over het mysterie van het Minoïsche schrift. Die dag zou zeer belangrijk worden. Want de woorden van Sir Evans hebben invloed op het gehele verdere leven van de vijftienjarige knaap, die de lezing bijwoont. Hij krijgt een levensdoel. En omdat deze jongen zeer begaafd is, bereikt hij dit doel al op vrij jeugdige leeftijd! De jongen heet Michael Ventris. Hij wordt architect. Toch laat de kwestie van het geheimzinnige schrift van Kreta hem nooit meer met rust. Hij verzamelt alles wat hij over het onderwerp kan vinden. Nu was het niet te betwijfelen of de tabletten van Knossos, Pylos en Mycene waren met precies dezelfde tekens geschreven. De illustratie laat enige parallellen zien: de letters boven de kolommen geven de plaats van herkomst aan, Niet alleen waren het de tekens die overeen kwamen, maar ook combinaties van tekens herkende men op al die uiteenliggende plaatsen.

 

De overeenkomst van schrift, dat op verschillende plaatsen is gevonden. (K=Kreta; P=Pylos; M=Mycene en T=Thebe)

 

Er waren volgens Ventris drie verklaringen mogelijk: de tabletten die men op het vasteland vond konden een buit zijn uit de paleizen van Knossos. Maar het was niet aannemelijk dat er zoveel waarde was gehecht aan koning Minos' oude inventarislijsten en rekeningen. De tweede mogelijkheid was, dat de taal die eraan ten grondslag lag een verkeerstaal was, want de Grieken speelden vóór 1400 nog geen rol. Maar waarom bleef men een vreemde taal gebruiken, bijna 200 jaar nadat de macht van Kreta was verbroken? De derde mogelijkheid was, dat de taal der inscripties een vroege vorm van het Grieks was. Dat scheen vreemd, want dan moest men tevens aannemen dat die taal vóór 1400 v.Chr. ook op Knossos reeds werd gesproken, en de opgravingen schenen toch pas een breuk in de beschaving te bewijzen omtrent 1400, toen het paleis verwoest werd om nooit meer te herrijzen. Toch was dit de conclusie waartoe enkele geleerden reeds vroeger gekomen waren, en Ventris schaarde zich bij hen. Nu had men bij de pogingen tot ontcijfering reeds met allerlei talen geëxperimenteerd, en o.a. ook wel eens met Grieks. Maar men had daarbij alleen de korte opschriften ter beschikking die men toen uit Griekenland zelf kende, en die op vazen waren geschilderd. Door onvoldoende materiaal was de poging mislukt. Nu men over veel meer materiaal beschikte had het zin, nog eens een poging te wagen.

Gelukt...

Ventris deed een nieuwe poging tot ontcijfering. Hij maakte gebruik van de gewoonte der klerken om met een schetsje aan te geven waarover in een document wordt gesproken. Het op die schets volgende woord, dacht hij, zou wel eens de naam kunnen zijn van het afgebeelde voorwerp. Nu was er een tablet dat over drievoeten handelde: bronzen voorwerpen die dienden als onderstel voor grote bekkens. Er volgde op de schets van de drievoet een woord van vier tekens. Nu heetten drievoeten in het Grieks tripodes, wat in een syllabeschrift maar drie tekens schijnt te eisen. Maar enige kennis van het Cypriotische syllabeschrift bewees, dat niet voor elke lettergreep één teken bestond: er waren, behalve tekens voor de afzonderlijke klinkers, alleen tekens voor één medeklinker, gecombineerd met die verschillende klinkers (dus voor ba, be, bi) Zo werd de Griekse naam Timon geschreven ti-mo-ne.

Het oudste Grieks

Met de Cypriotische manier van schrijven voor ogen las Ventris de vier tekens van het Kretenzische woord, dat naast de drievoet stond als ti-ri-po-de. Hij nam aan, dat hij hiermee de waarde van deze vier tekens kende, en bouwde daarop voort. En zo kwam hij langzamerhand tot een lezing van een aantal tabletten, en wel een lezing die zin gaf. Wanneer een inventarislijst van zwaarden eindigt met een getal en de woorden: tosa pagana, dan leek dit erg op "tossa phasgana" ("zoveel zwaarden") van het klassieke Grieks. Natuurlijk, het was niet zo heel eenvoudig om dadelijk de verkregen tekst te begrijpen. Want in nog sterkere mate dan bij het Cypriotisch, week deze vorm van Grieks af van het klassieke. Allerlei medeklinkers binnenin en aan het eind van een woord konden wegvallen en ook de aspiratie ontbrak.

 

Lineair schrift, zoals het op de jongste kleitabletten wordt gevonden (het z.g. lineair schrift "B" dus)

 

Als verschijnsel lijkt dit voor een taalkundige op het eerste gezicht vreemd. Hij weet, dat een taal op den duur afslijpt en minder gecompliceerd wordt, en nu hebben we hier het omgekeerde. Hier is Grieks dat vier, vijf eeuwen ouder is dan Homerus, en dat ziet eruit alsof de vijl er al eeuwen lang overheen is gegaan. Men kan dit op rekening schrijven van de schrifttekens, die waren uitgevonden voor een heel andere taal. Het is ook mogelijk dat de Grieken die het eerst aankwamen en het land moesten delen met oudere inwoners van wie ze allerlei woorden hebben overgenomen, hun oorspronkelijke taal niet zuiver bewaarden, en dat de later binnengekomen stammen een veel beter Grieks spraken dat het "dialekt" weer verdrong. De archieven van Knossos waren voor een deel-we weten nog niet welk deel-in deze taal geschreven.Ze gaven ongetwijfeld vele geleerden een grote schok. Kreta was dus blijkbaar eerder onder invloed van het vasteland gekomen dan men vrijwel algemeen had aangenomen.

 

Nieuwe inzichten

De resultaten waarmee Ventris en zijn medewerker, de classicus John Chadwick, voor het geleerde publiek kwamen (in ong. dezelfde tijd, dat de beklimming van de Everest Engeland in geestdrift bracht), zijn natuurlijk nog maar een eerste begin. "Van een complete ontcijfering zijn we nog ver af", zegt hij zelf. Toch geeft het verkregene op veel punten al een heel nieuw inzicht. Niet alleen dat de geschiedenis de Minoïsche beschaving opnieuw zal moeten worden geschreven, maar ook voor de geschiedenis van de Griekse godsdienst hebben ze al groot nieuws gebracht. Het is altijd een strijdvraag geweest, welke van de vele Griekse goden behoorden tot de oude Indo-europese godenwereld en welke ze overnamen van Oosterse volken en wanneer dit is gebeurd. Nu zijn er al een paar tabletten vertaald waarin namen van goden voorkomen, en deze noemen o.a. ook reeds Dionysus, die meestal werd beschouwd als een vrij late toevoeging aan het Griekse pantheon. Ongetwijfeld zal een verdere studie in dit opzicht nog veel meer licht brengen. Maar ook in andere opzichten kan men veel verwachten van de plotselinge mogelijkheid om door te dringen in het tweede millenium. Het lineaire schrift B mag dan gebruikt zijn voor een vroege vorm van Grieks, het berustte op een ouder schrift: lineair A, en dit is stellig uitgevonden voor de niet-Griekse taal van de oorspronkelijke Kretenzers. Nu men de klankwaarde der tekens kent, is het niet onmogelijk dat men op den duur die taal zal kunnen reconstrueren. Het kan verder ook zijn dat de lezing der tabletten meer licht zal brengen over de betrekkingen tussen Kreta, Egypte, Voor-Azië en de andere landen aan de Middellandse Zee. Veel zal natuurlijk afhangen van het soort documenten dat men zal blijken te bezitten. Inventarissen van hetgeen in de koninklijke magazijnen aanwezig was, zouden er maar bij uitzondering-als het over importgoederen ging-enig licht op kunnen doen schijnen.

Wat in elk geval bij een grondig doorwerken van het nieuwe materiaal sterk vooruit zal gaan, dat is onze kennis van de Griekse dialekten. Griekenland had ze, zo goed als ieder land. Soms tonen de teksten die we hebben er iets van, maar het best kan men ze leren kennen uit inscripties die in dialekt-Grieks zijn geschreven. Die zijn evenwel schaars en de kennis der dialekten is dus maar beperkt. Men zal misschien denken: wat voor belang hebben we erbij om die te kennen? Een enkel voorbeeld kan tonen dat ze heel belangrijk kunnen zijn voor de geschiedenis van het land. Het dialekt van Cyprus lijkt op dat van Arcadië, dat het midden vormt van de Peloponnesus. Dit lijkt vreemd, want hoe kan een eilandvolk verwant zijn aan één, dat geheel van de zee is afgesloten? De enige verklaring is, dat de Arcadiërs vroeger langs de kust hebben gewoond en door latere indringers voor een deel zijn teruggedrongen naar de bergen, terwijl een ander deel scheep ging en de wijk nam naar het verre Cyprus. Dat moet al vroeg zijn gebeurd, want ze konden daar het lettergrepenschrift nog overnemen, waaraan ze zich hielden toen de andere Grieken reeds een alfabet gebruikten. Ook andere wisselingen in de bevolking van Griekenland spiegelen zich af in de dialekten der verschillende streken. En verder weet men thans nog niet hoeveel nieuws we aangaande de Griekse taal zullen leren nu er een vorm van Grieks is opgestaan die eeuwen ouder is dan de oudste tekst die men tot nu toe had.

Wat Ventris (in samenwerking met de classicus Chadwick) deed is nog maar een begin van een grootse taak. Niettemin kon hij al resultaten tonen! Aan de tabletten ontleende hij al namen van oude Kretenzische steden, van Griekse goden en Griekse mannen. Bovendien gaven meer dan honderd woorden namen weer voor allerlei beroepen en handwerkers.

Bron: AO-met toestemming van de uitgever

 L.Cottrell : The bull of Minos

© Copyright 2003-2006 Rosette Thelen, grieksetaal.pagina.nl